OVER COMMISSIONAIR-EXPEDITEURS, RETENTIERECHT EN DE NIEUWE PANDWET

Over de “Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake” (in het kort: De (Nieuwe) Pandwet) zijn al vele werken verschenen.

De Wet is – na vele uitstellen – eindelijk in werking getreden op 1 januari 2018.

In deze bijdrage bekijken we de veranderingen die de (nieuwe) Pandwet op het reeds sedert 5 mei 1872 bestaande retentierecht van de commissionair-expediteur heeft aangebracht.

In ’t kort: niets.

Met andere woorden, als de commissionair-expediteur beschikt nog steeds over een bijzonder effectief en vertrouwd middel om betaling van zijn facturen / kosten af te dwingen ten overstaan van zijn opdrachtgever / klant, op voorwaarde dat de commissionair-expediteur minstens nog het beschikkingsrecht heeft over de goederen.

Betaalt de opdrachtgever / klant niet vrijwillig, dan kan de commissionair-expediteur via de pandverzilveringsprocedure vooralsnog trachten zijn gelden te recupereren. Zie verder.

1.         Retentierecht en voorrecht (Pand-en Commissiewet 5 mei 1872).

De commissionair-expediteur geniet een bijzonder voorrecht krachtens artikel 14 van de Pand en Commissiewet van 5 mei 1872 .

Artikel 14 van de Wet van 5 mei 1872 stelt:

“Iedere commissionair is, door de enkele toezending, bewaargeving of consignatie van koopwaren, op de waarde bevoorrecht voor alle leningen, voorschotten of betalingen die hij als commissionair doet, hetzij voor de verzending van de koopwaren, hetzij gedurende de tijd dat deze in zijn bezit zijn”.

Het voorrecht van de commissionair geldt voor de hoofdsom, intresten, commissieloon, kosten, leningen en m.a.w. op élke schuldvordering die voortvloeit uit de uitvoering van de commissieovereenkomst. Hierbij is het onbelangrijk of deze gemaakt werden voor de verzending van de goederen of terwijl de goederen in zijn bezit waren, echter op voorwaarde dat de commissionair de goederen nog steeds in zijn bezit heeft.

Een contractuele uitbreiding van een retentierecht kan enkel tegenwerpelijk zijn aan derden wanneer dit beantwoordt aan de economische realiteit van regelmatige en continue handelsbetrekkingen tussen partijen. De bedoeling van dergelijke uitbreiding van het retentierecht dient gesitueerd te worden in het kader van een ruimere economische samenhang tussen vordering en goederen. De goederenbehandeling in een haven en in het kader van regelmatige handelsbetrekkingen is namelijk een continue aangelegenheid. De in ontvangstgenomen goederen tot zekerheid dienen niet alleen voor de schuldvordering die voorvloeit uit de bewerking of behandeling met betrekking tot deze specifieke goederen die reeds werden teruggegeven. In deze omstandigheden is een conventioneel verlengd retentierecht tegenwerpelijk aan de opdrachtgever van de commissionair én derden.

De commissionair wordt geacht de goederen in zijn bezit te hebben wanneer zij ter beschikking zijn in zijn magazijnen of schepen, bij de douane of in een openbare opslagplaats, of wanneer zij voor hun aankomst in zijn bezit zijn gesteld door een cognossement of door een vrachtbrief. Het voorrecht komt te vervallen van zodra de commissionair het bezit over de goederen verliest doordat hij de goederen aan een derde afstaat zonder dat hij in het bezit komt van een titel die de goederen vertegenwoordigt, of wanneer hij deze titel aan zijn opdrachtgever of derde overhandigt. Dit is ook het geval wanneer hij door bedrog het bezit over de goederen of titel verliest.

2.         De (nieuwe) Pandwet.

Het was de bedoeling dat de (nieuwe) Pandwet op ingrijpende wijze het pandrecht, het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht zou wijzigen. Zo zouden het pandrecht en het eigendomsvoorbehoud voortaan worden ingeschreven in het Nationaal Pandregister (https://pangafin.belgium.be/).

Echter, zou de Pand en Commissiewet van 5 mei 1872 uiteindelijk niet gewijzigd worden.

Zo stelt artikel 102 (nieuwe) Pandwet:

“In boek I van het Wetboek van koophandel worden de artikelen 1 tot 10 van titel VI, gewijzigd bij de wet van 5 mei 1872, opgeheven behalve voor zover nodig voor de toepassing van artikel 11 van dezelfde titel.”

Concreet betekent dit dat de artikelen 2 (wijze waarop bezit wordt bepaald) en de artikelen 4 t/m 10 (pandverzilveringsprocedure, zie verder) nog steeds van toepassing blijven op het “pand tot zekerheid van het wettelijk voorrecht van de commissionairs (of van hun geldschieters”.

Nu ook artikel 15 van de Pand en Commissiewet van 5 mei 1872 niet werd opgeheven, kan het voorrecht van de commissionair op de uiteindelijk opbrengst naar aanleiding van een pandverzilvering, als een bijzonder voorrecht worden beschouwd dat voorgaat boven alle andere voorrechten:

Wanneer de koopwaren voor rekening van de opdrachtgever verkocht en geleverd zijn, verhaalt de commissionair het bedrag van zijn schuldvordering op de opbrengst van de verkoop, bij voorrang boven de schuldeisers van de opdrachtgever.”

Dit vindt eveneens steun in artikel 58 (nieuwe) Pandwet:

“Art. 58. Superprioriteit

Een pandrecht dat gebaseerd is op een retentierecht voor een schuldvordering tot behoud van de zaak gaat boven alle pandhouders.

Onder voorbehoud van het eerste lid, gaan de onbetaalde verkoper die zich de eigendom heeft voorbehouden, de bevoorrechte verkoper en het voorrecht van de onderaannemer voor op de pandhouders op deze goederen. “

Of anders gesteld, voor de commissionair-expediteur geldt nog steeds hetzelfde als sedert 1872, zie verder.

3.         Pandverzilvering.

Ten overstaan van niet betalende opdrachtgevers / klanten, beschikt de commissionair-expediteur over een uitermate efficiënt middel: het retentierecht (eventueel) gevolgd door de pandverzilveringsprocedure.

De procedure van pandverzilvering is beschreven in art. 4 van de Wet van 5 mei 1872 en kan als volgt worden samengevat:

1.         Aanmaning van de schuldenaar door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot.

In de aanmaning dienen alle sommen, kosten, interesten, … te worden opgenomen waarvoor de commissionair-expediteur betaling wenst te bekomen. Indien er lopende opslagkosten zijn, worden deze ook best opgenomen.

De aanmaning dient tevens een ontwerp verzoekschrift te bevatten dat zal neergelegd worden bij de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank, indien niet wordt overgegaan tot betaling, minstens het maken van opmerkingen, binnen de twee (vrije) dagen na verzending van de aanmaning. Hierbij dient wel opgemerkt dat de twee vrije dagen gelden in geval de schuldenaar zich in België bevindt. Indien het een buitenlandse schuldenaar betreft, dienen de regels van het Gerechtelijk Wetboek gerespecteerd met betrekking tot de betekening aan buitenlandse (rechts)personen (zie artikel 55 Ger.W.:

“Wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden, dan bedraagt die verlenging:

  1° vijftien dagen, wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië verblijft;

  2° dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft;

  3° tachtig dagen, wanneer zij in een ander werelddeel verblijft.”

2.         Verzoekschrift Voorzitter Ondernemingsrechtbank.

Indien er geen gevolg wordt gegeven aan de aanmaning, zal het eerder – in ontwerp – meegedeelde verzoekschrift dienen neergelegd ter griffie van de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank.

De beschikking die vervolgens wordt gewezen door de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank zal moeten betekend worden door de gerechtsdeurwaarder. Indien er binnen de 3 dagen na betekening van de beschikking geen verzet wordt ingesteld, zal de beschikking definitief zijn en geacht te zijn gewezen in laatste aanleg. Belangrijk hierbij is dat in tegenstelling tot de voorafgaandelijke betekening van de aanmaning, de termijn van kennisgeving resp. betekening van de beschikking niet verdaagd wordt wegens de afstand (zie hoger artikel 55 Ger.W.). Ook belangrijk is dat betekeningen aan de opdrachtgever / schuldenaar van de commissionair lastens wie de pandverzilvering in de zin van art. 8 wordt gevraagd en die geen woonplaats heeft in het gebied van de Ondernemingsrechtbank of die daar geen keuze van woonplaats gedaan heeft, wordt gedaan op de griffie van de Ondernemingsrechtbank. Of anders: de betekening van de beschikking lastens de opdrachtgever / schuldenaar komt in vele gevallen zelfs niet ter kennis van de opdrachtgever / schuldenaar.

De rechtbank stelt in haar beschikking een gerechtsdeurwaarder aan die de verkoop van de goederen voor diens rekening zal nemen, en hiervoor een officiële verkoopsovereenkomst zal opmaken.

3.         Verzet tegen de beschikking.

Het verzet tegen de beschikking met toelating tot pandverzilvering dient te worden ingeleid voor Ondernemingsrechtbank.

4.         Pandverzilvering.

Na het definitief worden van de beschikking, kunnen de goederen verkocht worden.

4. Bijstand Van Laer – Van Mechelen Advocaten.

Ons kantoor heeft de afgelopen jaren diverse pandverzilveringen opgestart ten behoeve van haar klanten.

In geval u meer informatie wenst over de mogelijkheden voor uw bedrijf, en een inschatting wenst te bekomen van kansen tot recuperatie en kosten, kan u contact opnemen met mr. Christophe Van Mechelen (christophe.vanmechelen@vlvm.be) .

Tel: +32.3.369.28.00

Christophe VAN MECHELEN